Regenbomen

Arbre de pluie
De regenboom is vergelijkbaar met de traditionele rijbomen, met het verschil dat de boomvoet zo is opgevat dat het afvloeiwater kan opvangen, opslaan en laten insijpelen. Deze installatie voldoet aan de doelstellingen van een geïntegreerd beheer en draagt bij tot het beperken van de hoeveelheid water die afvloeit naar het riool. De regenboom is zowel geschikt voor zeer smalle plaatsen (straten, voetpaden) als voor meer open ruimten, zoals pleinen.

Welke functies heeft een regenboom?

Een netwerk van gezonde bomen in een stedelijk weefsel levert veel sociaaleconomische en milieuvoordelen op:

  • prominente rol in de esthetische en landschappelijke structuur van de stad;
  • helpt de lucht af te koelen en de omvang van bepaalde soorten vervuiling te beperken. De schaduw van de boomkroon beperkt het hitte-eilandeffect dat zich in een stedelijke omgeving vaak voordoet;
  • een van de belangrijkste onderdelen van de stedelijke ecosystemen ;
  • kan voorzieningen omvatten voor de opvang en het beheer van regenwater ;
  • filterwerking voor een actieve verbetering van de waterkwaliteit;
  • beheer van ‘normaal' regenwater op een gewenste verzameloppervlakte.

Hoe neemt de regenboom water op?

Bomen verminderen de hoeveelheid afvloeiend water op verschillende manieren:

  • Het gebladerte onderschept een deel van de neerslag. Dat vertraagt de afvloeiing en beperkt de hoeveelheid water die het bodemoppervlak bereikt. Een deel van dit water wordt door evapotranspiratie meteen weer in de atmosfeer gebracht.
  • De wortels nemen niet alleen rechtstreeks water op maar vormen ook galerijen en open ruimten in de bodem. Dit verlucht de bodem en verhoogt zijn vermogen om afvloeiend water op te slaan en te laten infiltreren.

Regenbomen spelen daarom een belangrijke rol in het regenwaterbeheer door stroomopwaarts de hoeveelheid afvloeiend water te beperken.

Hoe neemt de regenboom water op ? © Leefmilieu Brussel

Wat zijn de beperkingen van de stedelijke omgeving voor de regenboom?

Stedelijke vegetatie groeit doorgaans in weinig optimale en zelfs extreme omstandigheden. Dit kan de ontwikkeling van de bomen remmen en ze zelfs doen afsterven:

  • ongunstige stadsbodems:

    • bewerkt;
    • heterogene mengsels;
    • compact;
    • droog;
    • arm aan organisch materiaal;
    • vervuild;
  • mechanische schade en verwondingen, met name in de fase van de aanleg;
  • aanwezigheid van ondergrondse technische netwerken;
  • verontreiniging door strooizout;
  • beperkt bodemvolume;
  • enz.

Hoe wordt het water naar de voet van de regenboom geleid?

Directe toevoer

Het water wordt op verschillende manieren rechtstreeks naar de voet of de wortels van de boom geleid:

  • afvloeiing, vanaf:

  • infiltratie via een doorlatende verharding

    • roosters, houten vlonders;
    • doorlatende stoeptegels, plaveien en betonsoorten,
    • plaveisels met brede voeg;
    • opengewerkte betonplaten of honingraatplaten;
    • plantaardige mulch of minerale laag (grind);
    • grasvelden, planten;
    • enz.;

Indirecte toevoer

Het water wordt afgevoerd van omringende doorlatende of ondoorlatende oppervlakken. Het wordt indirect via afvoerkanalen naar de boomkuil gekanaliseerd.

Voor meer informatie over het principe van de afwatering zie de voorziening | Reservoirstructuren

Wat zijn de aandachtspunten in aanwezigheid van ondergrondse beperkingen?

In de stad wordt soms een caisson gebruikt om de wortelzone van de boom af te bakenen en schade aan ondergrondse leidingen/kabels (vaak op een diepte van 0,5 tot 2 m) te voorkomen.

De bodem van de caisson mag echter niet gesloten zijn, zodat het water kan infiltreren en het wortelstelsel zich in de diepte kan ontwikkelen. Wanneer dit niet mogelijk is (ondergrondse infrastructuur), wordt een dichte caisson gebruikt. Om het water dat niet kan infiltreren af te voeren, moet de onderkant van de caisson dan worden gedraineerd met een drainagelaag op de bodem van de plantkuil.

Welke structuur voorziet men voor een regenboom?

Er bestaan drie soorten structuren voor regenbomen:

Type

Stockholm-systeem

© Leefmilieu Brussel

(of ‘structural soil' of grond met versterkte structuur)

Ultralichte alveolaire structuur

Ultralichte alveolaire structuur © Bruxelles Environnement

(of ULAS of cellensysteem)

Drijvend systeem

Drijvend systeem © Leefmilieu Brussel

(of dragend wortelsubstraat)

Beschrijving

Dit alternatief voor het traditionele mengsel van zand en steen geeft de steun en dichtheid die nodig zijn om geplaveide oppervlakken te dragen.

Het principe is gebaseerd op de zeer hoge porositeit van de bodem (+/-25%) en een minimale aanbreng van substraat dat uit fijne deeltjes en organisch materiaal of biochar bestaat.

Cellensysteem, meestal van kunststof, dat het substraat bevat en zo is geassembleerd dat het een dragende structuur vormt die de bestrating op haar plaats houdt (met behoud van de eigenschappen van de bodem).

Alle soorten substraten zijn compatibel met deze voorziening.

Systeem met een doorlatende mat van variabele dikte en met een open structuur, aangebracht tussen enerzijds de wortelruimte en anderzijds de verharding van het oppervlak en zijn eventuele funderingslagen, om de belasting te verspreiden en de risico's van verdichting van het onderliggende substraat te verminderen. Er bestaan dunne honingraatmatten (8 tot 15 cm).
Toepassing
  • Plein
  • Straat
  • Openbare weg
  • Plein
  • Straat
  • Openbare weg
  • Plein
  • Ruimten met lage belasting (fietspad, voetpad, parkeerplaats in sommige gevallen)
Voordelen
  • goede afwatering;
  • goede ontwikkeling van het wortelstelsel;
  • compatibel met ondergrondse netwerken voor nutsvoorzieningen;
  • geeft het wortelstelsel een groter volume grond in zones waar de stedelijke ruimte beperkt is;
  • maakt een regenwaterbeheer mogelijk door zijn grote absorptie- en infiltratievolume;
  • beschermt de bodem tegen verdichting;
  • modulen in verschillende afmetingen, aanpasbaar aan de grootte van de boom;
  • voor elk type standplaats (plein, straat, parkeerplaats, dak).
  • weinig onderhoud;
  • lage tot middelhoge kostprijs;
  • past zich aan krappe stedelijke ruimten aan;
Nadelen
  • bijzonder duur;
  • vereist frequente besproeiing en bemesting. Het verdient daarom de voorkeur om dit alleen in sterk verstedelijkte gebieden toe te passen, in plantkuilen die zeer grote hoeveelheden water afvoeren;
  • beperkt tot boomsoorten die bestand zijn tegen droogte en een gebrek aan voedingsstoffen.
  • complex en duur systeem;
  • gebruik van niet-hernieuwbare materialen.
  • laag draagvermogen;
  • anticipeer ruim vooraf op de toegang tot ondergrondse netwerken: systemen met verwijderbare deksels kosten meer, terwijl snijden in het bestaande systeem de mechanische sterkte in het gedrang brengt.

Welke afmetingen moet de plantkuil hebben bij de verschillende soorten structuren?

Stockholm-systemen

© Leefmilieu Brussel
Voor een bestaande boom

De wortels vrijmaken met een pneumatische lans en een graafmachine. De wortels goed bijsnoeien.
Breedte (2,00 tot) 3,00 m x lengte 5,00 m x diepte 1,00 m (ongeveer één parkeerplaats).

Voor nieuwe aanplantingen

De grond tot op 2 m diepte losmaken, plantkuil van ten minste 0,80 m diepte.
Op minder smalle en minder belaste plaatsen kunnen de afmetingen groter zijn.
Aanbevelingen voor doorlopende plantkuilen langs de weg.

Bodemstructuur
  • op 60 cm: Basis van grote, hoekige stenen van graniet of gerecycleerd beton, diam. 100 tot 150 mm, substraat + langzaam vrijkomende meststof. De stenen kunnen gepaard gaan met een hogere pH-waarde dan conventionele bodems. Men moet planten kiezen die een alkalische bodem verdragen;
  • op 20 cm: Beluchtingslaag van kleinere droge steen, gewassen graniet, diam. 63 tot 90 mm, met een beluchtingsschacht om verstikking van de wortels te voorkomen;
  • bodemverharding en funderingslagen op doorlatend geotextiel.

Ultralichte alveolaire structuren

© Leefmilieu Brussel

De volgende grafiek toont het vereiste grondvolume en het volume opgeslagen water dat men kan beheren afhankelijk van de diameter van de kroon en de stam van een volwassen boom.

Bron : Casey Trees © Leefmilieu Brussel

Uit de bovenstaande grafiek kan men afleiden dat het equivalent van 25 m³ grond nodig is opdat een boom met een kroondiameter van 8,60 m en een stamdiameter van 400 mm 5 m³ water zou kunnen vasthouden en laten infiltreren.

Dit komt overeen met 22 tot 27 cellen met een minimumcapaciteit van 1m³, samengevoegd tot een oppervlakte van ongeveer 3-4 m breed en 7-8 m lang.

Drijvend systeem

© Leefmilieu Brussel

De afmetingen van de plantkuil voor een drijvend systeem zijn dezelfde als voor een systeem met ultralichte alveolaire structuren. Als een boom met een kroondiameter van 8,60 m en een stamdiameter van 400 mm 5 m³ water moet vasthouden en laten infiltreren, heeft hij een bodemvolume van ongeveer 25 m³ nodig.

Hoe beheert men de toevoer van strooizout bij een (regen)boom?

Men kan verschillende ontdooiingsproducten (zogenaamde chemische smeltmiddelen) gebruiken. Ze hebben allemaal voor- en nadelen. Natriumchloride (NaCl) is echter nog steeds het meest gebruikte product.

Op moleculair niveau bestaat het uit zoutionen Na+ en Cl-, die inwerken op de water- en bodemmoleculen (klei-humuscomplex).

Impact van het strooizout op de bomen en de bodem © Leefmilieu Brussel

Als het zout in de bodem komt zal het grootste gedeelte van de chloorionen (Cl-) uit het NaCl uitlogen in het grondwater (dit vormt geen milieuprobleem in de verhoudingen die momenteel in het Brussels Gewest worden gebruikt).

De Natriumionen (Na+) zullen daarentegen worden opgeslagen in de eerste centimeters van het klei-humuscomplex van de bodem en hebben de neiging om zijn eigenschappen te veranderen, zodat het ondoorlaatbaar wordt en dus minder infiltrerend en meer verstikkend voor het wortelstelsel, dat niet langer de nodige voedingsmiddelen kan vinden. Het effect van de natriumionen op bodems en planten leidt tot: bodemvernietiging, waterstress, tekorten aan voedingsstoffen en, in sommige gevallen, vervuiling van de ondergrond door het vrijkomen van geadsorbeerde zware metalen, die dan waarschijnlijk naar diepere bodemlagen en, a fortiori, naar het grondwater zullen migreren.

Geen enkele van onze inheemse soorten is bijzonder tolerant voor een aanzienlijke en regelmatige toevoer van strooizout. De soorten die als zouttolerant worden beschouwd, variëren naar gelang van de bron. Dit maakt het moeilijk om een valabele lijst op te stellen. Toch is een gezonde boom over het algemeen bestand tegen incidenteel contact met strooizout dat door regenwater wordt meegevoerd. Om de impact van het zout te beperken, is het dan ook van essentieel belang ervoor te zorgen dat de boom zich in adequate groeiomstandigheden kan ontwikkelen.

Bovendien heeft het gebruik van strooizout een grote milieu-impact, zowel op zones met aanplantingen (gevolgen voor de vegetatie) als bij de afvoer in het rioleringsnet (gevolgen voor het milieu waarin het niet-gezuiverde water wordt geloosd). Daarom is het essentieel dat men de oorzaak aanpakt door een strategie op te stellen om de verspreide hoeveelheden te beperken (winterplan, voorzorgsbeginsel, gebruik van veegmachines in voetgangerszones, gebruik van pekel, etc.).

Een goed gedraineerde bodem, zoals in de Stockholm-systemen, verdient de voorkeur bij gebruik van strooizout, om het contact met de wortels te beperken en te vermijden dat zout water in de plantkuil blijft staan.

‘By-pass'-systeem

Aangezien het zout slechts enkele weken per jaar aanwezig is, maar soms in grote hoeveelheden, kan men een ‘by-pass'-systeem (kleppen) toepassen, om het zoute water tijdens de weken waarin wordt gestrooid naar de riolering af te leiden. De rest van het jaar kan het water naar het boomvak worden geleid.

Een andere oplossing leidt het afvloeiende water af naar een natuurlijk filtersysteem (beplante tuin of filtreerstrook met halofyten), waarna het naar de plantkuil van de boom terugkeert en daar infiltreert.

Merk op dat strooizout minder gevaarlijk is dan het risico op waterstress. Het afleiden van afvloeiend water naar bomen levert een hoeveelheid water op die hun groei bevordert.

Welke plantensoort kiest men voor een regenboom?

De keuze van de plantensoorten wordt bepaald door hun tolerantie voor bepaalde fysisch-chemische criteria, afhankelijk van het gebruik , het inheemse karakter en de diversiteit van de soorten.

Inheemse en diverse soorten

Men kiest bij voorkeur een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inheemse soort.

Wanneer men geen voorrang kan geven aan inheemse soorten (en een compromis moet worden gevonden op basis van de andere onderstaande criteria), moet men ervoor zorgen geen invasieve soorten te gebruiken, met name in het geval van siergewassen.

Met het oog op een zeker weerstandsvermogen kan men tot slot inzetten op diversiteit van soorten en dus geen soorten combineren die te sterk op elkaar lijken (bijvoorbeeld alleen harsbomen).

Fysisch-chemische criteria

De soort wordt geselecteerd op basis van fysisch-chemische criteria:

  • vochtigheidsgehalte;
  • bodemverdichting;
  • gebrek aan voedingsstoffen;
  • zoutconcentratie in de winter;
  • aanwezigheid van diverse stedelijke vervuilende stoffen;
  • droogte in de zomer;
  • blootstelling aan de zon;
  • enz.

Gebruiksfunctie

De soort wordt geselecteerd op basis van het gebruik:

  • soorten voor in rijen langs de weg;
  • eerder decoratieve soorten en heesters voor pleinen of squares.

Hoe herstelt men een bestaande boomvoet?

Afvloeiend water in bestaande plantkuilen laten samenkomen vereist een grondige studie.

Toch kan men bestaande plantkuilen herstellen om ze een bijkomende functie voor het beheer van regenwater te laten vervullen, op voorwaarde dat men rekening houdt met de lokale bijzonderheden van het project, inclusief het mogelijke risico voor de boom en de bodem. Dit is een afweging die geval per geval moet worden gemaakt, afhankelijk van de grootte van de plantkuil, de kwaliteit van de bodem, het type boom, de sanitaire omstandigheden en het gebruik van de weg.

Hoe beschermt men een regenboom?

Werken

Bij een bestaande boom moet men bijzonder goed uitkijken met werken die onder de wortelkroon van de boom worden uitgevoerd (risico op bodemverdichting, mogelijke vervuiling en beschadiging van de stammen). Als toch werken worden uitgevoerd in de wortelkroon, moet men bescherming gebruiken (rijplaat, stambescherming enz.).

Droogte

De eerste jaren na het planten van de regenboom moet men alert zijn voor droge periodes, waarin de boom water zal moeten krijgen.

Voorbeelden van regenbomen

© AC Dewez
Arbre de pluie © B.Boccara
Arbre de pluie © B.Boccara

 

Arbre de pluie © B.Boccara
Arbre de pluie © B.Boccara
Arbre de pluie © F. Mayer

 

 

 

Stappen voor de installatie van een ultra-lichtgewicht alveolaire structuur

Het maken van de put

Création de la fosse © Bruxelles Mobilité

Installatie van de alveolaire structuur

Installation des structures alvéolaires © Bruxelles Mobilité

Het vullen van de put en alveolaire structuren

Remplissage de la fosse et des stuctures alvéolaires © Bruxelles Mobilité

Bestrating en geïnstalleerde boom

Revêtement de sol et arbre installé © Bruxelles Mobilité

Meer weten

In de Gids

Andere opslag- en infiltratievoorzieningen:

Andere voorzieningen in verband met de voorziening:

Websites

Bibliografie

Bijgewerkt op 17/05/2022