Terug naar

Herkomst van de EPB-regelgeving

Op 13 november 2002 keurt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering het Lucht- en Klimaatplan goed, dat tot doel heeft de Kyoto-doelstellingen te halen, d.w.z. een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 7,5% op Belgisch niveau tegen 2012 ten opzichte van 1990.

Een maand later, op 16 december 2002, keuren het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie richtlijn 2002/91/EC betreffende de energieprestatie van gebouwen (EPB) goed, die de lidstaten verplicht om:

  • specifieke eisen en een berekeningsmethode te bepalen voor de energieprestatie van nieuwe gebouwen en gebouwen met een oppervlakte van meer dan 1000 m² die een ingrijpende renovatie ondergaan,
  • een systeem van certificaten in te voeren die bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw gebruikt moeten worden en waarop de energieprestatie van dat gebouw vermeld staat,
  • te voorzien in periodieke controles van verwarmingsketels en klimaatregelingssystemen.

Aangezien de EPB-regelgeving een gewestelijke bevoegdheid is, zet elk gewest de richtlijn in zijn eigen regelgeving om. Op Brussels niveau is Leefmilieu Brussel het gewestelijke bestuur dat verantwoordelijk is voor de opstelling en de handhaving van de EPB-regelgeving, samen met urban.brussels (regionaal bestuur) en de Brusselse gemeentebesturen, die mee verantwoordelijk zijn voor de handhaving van een deel van deze regelgeving.

De drie gewesten werken evenwel samen om de berekeningsmethoden en de EPB-software te ontwikkelen en te verbeteren. Ze worden daarin bijgestaan door een vereniging van wetenschappelijke deskundigen die het “Consortium” wordt genoemd en die bestaat uit het WTCB (Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf), universiteiten en studiebureaus.

Op 7 juni 2007 keurt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een ordonnantie houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen (OEPB) goed, die in werking treedt op 2 juli 2008. Ze wordt gewijzigd door de EPB-ordonnantie van 14 mei 2009.

Op 19 mei 2010 keuren het Europees parlement en de Raad een richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen goed, die de oude EPB-richtlijn 2002/91/EC van 16 december 2002 opheft.

Deze nieuwe richtlijn bepaalt dat tegen 31 december 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutraal moeten zijn en legt de nadruk op de voorbeeldfunctie van de overheid. Zo zullen vanaf 1 januari 2019 de nieuwe gebouwen waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest die eigenaar zijn van deze gebouwen, bijna-energieneutrale gebouwen moeten zijn.

Bovendien legt deze richtlijn tussentijdse streefcijfers op voor het verbeteren van de energieprestatie van nieuwe gebouwen vanaf 2015 als voorbereiding op de uitvoering van voormelde doelstellingen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden deze tussentijdse streefcijfers vertaald door de op de passiefnorm geïnspireerde EPB-2015 eisen.

Op 2 mei 2013 keurt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een nieuwe ordonnantie goed die alle in acht te nemen maatregelen omvat op het vlak van luchtkwaliteit, klimaat en energiebeheersing: de ordonnantie houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, kortweg het BWLKE. Deze regelgevingstekst omvat en wijzigt de EPB-ordonnantie overeenkomstig richtlijn 2010/31/EU. Het deel EPB-Werkzaamheden van deze tekst treedt in werking op 1 januari 2015.

Tot 30 juni 2017 was er enkel voor de nieuwe en met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden met EPB-bestemming Wooneenheid (EPW-methode) en Kantoren en Onderwijs (EPU-methode) een berekeningsmethode om het primaire energieverbruik te bepalen. Voor alle andere EPB-bestemmingen golden enkel de eisen op het vlak van isolatie, hygiënische ventilatie en meting. Volgens de Europese richtlijn moet elke lidstaat echter een berekeningsmethode en globale energieprestatievereisten bepalen voor alle soorten gebouwen die energie verbruiken.

Vanaf 1 juli 2017 is de EPB-regelgeving in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dus sterk geëvolueerd om aan deze Europese verplichting te voldoen.

Vanaf 1 januari 2018, met het oog op coherentie tussen de Europese en Brusselse wetteksten, werd de wetgeving EPB-Werkzaamheden geactualiseerd op basis van Europese voorschriften die eisen omtrent eco-ontwerp bepalen voor bepaalde verwarmings- en bevochtigingsuitrustingen. Deze update van de EPB-wetgeving, “EcoDesign verwarming” genoemd, houdt rekening met deze eisen (via de valorisatie van EcoDesign productgegevens) en herziet bepaalde waarden bij ontstentenis, wat toelaat om het energieverbruik voor verwarming beter in te schatten.

Vanaf 1 januari 2019 is de EPB-wetgeving het onderwerp van een nieuwe reglementaire evolutie met de bedoeling verbeteringen, verduidelijkingen en correcties aan te brengen. Meerdere teksten zijn gewijzigd waaronder het bwlke door de wijzigende ordonnantie van 23 juli 2018, het eisenbesluit en het richtlijnenbesluit. Drie nieuwe ministeriële besluiten vervolledigen eveneens deze wijzigingen.

Vanaf 1 januari 2021 legt de Europese richtlijn op dat alle nieuwe constructies een bijna-nul-energieverbruik hebben. In Brussel was dit reeds het geval voor de nieuwe woningen sinds 2015. Nu is het de beurt aan de nieuwe Niet-Residentiële EPB-eenheden. De regelgeving EPB-Werkzaamheden is in die zin dus het onderwerp van nieuwe reglementaire evoluties.

Vanaf 1 januari 2022 worden de eisen inzake primair energieverbruik (PEV) voor nieuwe en met nieuw gelijkgestelde Niet-Residentiële EPB-eenheden verder versterkt.

In 2023 wordt de regelgeving EPB-werkzaamheden verder versterkt door de invoering van een eis inzake PEV voor de zwaar gerenoveerde EPB-Wooneenheden en voor de zwaar gerenoveerde Niet-Residentiële EPB-eenheden die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt door, of die eigendom zijn van een overheidsinstantie, alsook door de herinvoering van een hygiënische ventilatie-eis inzake de luchtafvoeropeningen voor renovaties.

Bijgewerkt op 23/03/2023